STW.nl
Perspectief is het financieringsinstrument van STW voor publiek-private onderzoeksprogramma’s waarbij de ingediende voorstellen in onderlinge competiti...
Bestrijding van de Phytophtora infestans, de meest gevreesde aardappelziekte, is verplicht voor elke aardappelteler. Aardappelpercelen worden hiervoor elk seizoen standaard bespoten. Na de aardappeloogst blijven altijd knollen achter. Die komen het seizoen erna, ook als er een ander gewas op het perceel staat, weer op en moeten opnieuw bestreden worden. Met de hand verwijderen van deze zogeheten aardappelopslag kost jaarlijks 9 miljoen euro. Onderzoekers bij Wageningen Universiteit ontwikkelden een slimme spuitmachine om deze aardappelopslag gericht te bestrijden. De techniek werkt bij aardappelplanten in een bietenveld en wordt nu verder ontwikkeld naar bestrijding van ongewenste planten in andere gewascombinaties.Hoe het werktEen tractor met een karretje, voorzien van camera’s, rijdt met een snelheid van 2,9 km/uur tussen rijen bieten door. Een laptop laat de foto’s zien die camera’s maken van de planten waar ze overheen glijden. In vier stappen veranderen de foto’s naar abstracte beelden die voor de spuitinstallatie het verschil tussen bieten (groen) en aardappels (rood) zichtbaar maken.Vervolgens worden de sproeiers aangestuurd; ze geven de opgeschoten aardappelplantjes elk een kleine dosis glyfosaat. De bietenplanten blijven ongemoeid. Het gesproeide glyfosaat werkt op de wortels van de aardappelplanten, die afsterven. De detector achter de tractor pikt de aardappelplanten er zonder problemen uit. Spuiten met glyfosaat is nodig omdat de aardappelknollen te diep in de grond zitten voor uittrekken. Mechanisch schoffelen viel daardoor ook af. Verbranden kan ook niet omdat ze in de rij tussen de bieten staan. Daardoor, en voor de snelheid, bleef alleen het bespuiten over. Nieuwenhuizen vond na tal van gesprekken veel bedrijven die geïnteresseerd waren.  Lees hier het hele verhaal >> STW-onderzoekers: dr.ir. Ard T. Nieuwenhuizen en ing. S.P. van der SteenLocatie: Wageningen Universiteit & ResearchcentrumPartners in het onderzoek: (Toenmalig) Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; Plant Research International